Prize Papers

Beste allen,

Allereerst mijn felicitaties aan Nicolien met het toekennnen van subsidie voor de transcriptie van de sailing letters. Voorts wil ik een aantal opmerkingen maken en bedenkingen formuleren, waarvan ik hoop dat jullie daarop reageren.

  • In een workshop in het kader van het Sonttolproject (RU Groningen- Tresoar-Fryske Akademy) heb ik een presentatie gegeven over de Prize papers als bron voor historisch onderzoek naar de organisatie van de (Friese) handel in de 18de eeuw.
  • Overleg met het NA heeft duidelijk gemaakt dat het NA als haar taak ziet de Prize Papers collectie in haar geheel en dus niet alleen op het niveau van de Sailing Letters te ontsluiten. De collectie behoort tot de categorie uniek historisch erfgoed van Nederland. Die status moet nadrukkelijk naar buiten toe worden uitgedragen. Bovendien moet door een betere inventarisate deze collectie beter toegankelijk worden gemaakt voor onderzoek (taalkundig en historisch).
  • Datzelfde overleg heeft geleid tot het inzicht dat er aan een tweesporen beleid gedacht zou kunnen worden, waarbij het verbeteren van toegankelijkeheid en wetenschappelijk onderzoek parallel kunnen lopen. De ambities van de verschillende instellingen zijn in die zin verschillend. Het NA beperkt zich tot haar archiverende taak, de Fryske Akademy wenst inhoudelijk onderzoek naar de organisatie van de 17de en 18de eeuwse overzeesse handelĀ  waarbij de Prize Papers het basisbestand vormen. Het consortium zou over een taakstelling van de deelnemende instituten kunnen nadenken en aangeven welke organsiatievorm hiertoe het meest geschikt is.
  • Tijdens de laatste jaarvergadering van de Vereninging voor Maritieme Geschiedenis heb ik een lans gebroken voor het consortium en daarbij aangegeven dat een zware focus op de verwerking van de Sailing Letters en het beperken van het onderzoek tot deze categorie het historisch onderzoek onvoldoende dient. Mijn stellige indruk is dat de vergadering deze mening deelt en dat men pleit voor onderzoek dat de collectie Prize Papers als geheel als uitgangspunt neemt.
  • Duidelijk werd namelijk dat de Sailing Letters slechts een klein onderdeel vormen van de gehele collectie en vanuit het oogpunt van de historicus en in vergelijking met de overige scheepspapieren en processtukken in beperkte mate bijdragen tot vergroting van onze kennis van het maritiem verlden van Nederland in de 17de en 18de eeuw. Daarmee mag niets afgedaan worden aan de uniciteit en importantie van de Sailing Letters. Veeleer moet benadrukt worden, dat het historisch onderzoek gebaat is bij een geintergreerde aanpak. Het lijkt me dat het consortium het platform bij uitstek kan zijn, om dit idee verder uit te dragen en een onderzoeksplan te formuleren, dat hieraan te gemoet komt.
  • Inmiddels is duidelijk dat ook Breplos tot dit inzicht is gekomen en bezig is om een digitale uitgave, c.q. database op steekwoorden aan te leggen op basis van de verhoren van schippers door de HAC.
  • Zoals al kort is aangegeven tijdens de eerste bijeenkomst van het consortium zou verder nagedacht moeten worden over de wijze van ontsluiting en “onderzoeksklaar” maken van de Prize Papers. Het lijkt me dat volgende overwegingen meegnomen kunnen worden: 1. het begrip Sailing Letters zou nader gedefinieerd moeten worden met het oog transcriptie activiteiten: zijn sailing letters alleen privecorrespondentie van scheepslieden of ook de handelscorrepsondentie en de correspondentie die de HAC voerde met steden, firma’s, kooplieden en schippers; 2. men kan zich afvragen of ook de journaals, logboeken ingebonen boekhoudingen niet tot de categorie bestanden behoort die voor transcriptie in aanmerking komen.3. Een flink deel van de Prize Papers is repetitief. Dat wil zeggen er bevinen zich talloze laadbriefjes, eenvormige stukken aangaande transitie kosten en natuurlijk veel ondervragingen en correspondentie met stereotiepe indeling in de collectie. Het is denkbaar deze in de vorm van databases toegankelijk te maken en voor onderzoek in te zetten.
  • Het overleg met het NA en de genoemde presentaties hebben duidelijk gemaakt dat de collectie Prize papers te omvangrijk is voor een algemeen onderzoek. Met het oog op de omvang van de collectie, dat bovendien nog met ander materiaal gecombineerd zal moeten worden, is het dus noodzakelijk invalshoeken te kiezen. De Fryske Akademy kiest vanuit haar algemene taakstelling voor een onderzoeksbenadering die zich richt op de scheepspapieren afkomstig van Friese schepen in de 17de en 18de eeuw. Als ik Jelle goed heb begrepen, bereidt hij een onderzoek voor naar de leeftijdsopbouw van de bemanningen. Oftwel, het consortium zou na kunnen denken over de invalshoeken van toekomstig onderzoek, uitgaande van de specifieke expertise die bij de deelnemende aanstelling aanwezig is.
  • Daarbij zal ook naar synergie moeten worden gestreefd. Wellicht zijn er mogelijkehden voor het opstellen van een programmatisch onderzoekspaln, waarbij iedere instelling voor een specifieke invalshoek kiest die echter zodanig is opgezet, dat tevens een synthetische benadering mogeljk is die de verschillende invalshoeken verenigd.

Tot zover de weg die de Fryske Akademy graag in samenwerking met andere insteliingen in wenst te slaan. Concreet zet de FA in op dissertatie onderzoek naar de organisatie van de West-Europese en zogenaamde doorgaande handelsvaart van Friese schippers en reders in de 17de en 18de eeuw. Zulk onderzoek is, dat is intussen wel duidelijk, een zeer belangrijke pendant op het kwantitatief gerichte Sonttolproject.

Daarnaast kan er nagedacht worden over de inzet van vrijwilligers binnen de Werkgroep Maritieme Geschiedenis van de Fryske Akademy, die zo’n veertig leden telt , bij de transcriptie van de Sailing Letters van Friese bodem en bodems.

 

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

One Response to Prize Papers

  1. Perry Moree says:

    Ik bied me graag aan om na te denken over de verdere ontsluiting van het bronnenmateriaal in de HCA-collectie, maar wil toch even een kanttekening maken (mede maar ongevraagd namens Els van Eijck) bij Hanno’s opmerkingen over Sailing Letters. Het project Sailing Letters (naam bedacht door Els, in The National Archives kent men deze naam uiteraard niet, het is geen collectie-onderdeel) behelsde niets anders dan een globale inventarisatie van de in het HCA-archief voorkomende Nederlandse brieven. De scheepsjournalen, cognossementen, boekhoudingen, seinbrieven etc. etc. zijn hier bewust buiten gelaten. We moesten ergens beginnen natuurlijk. Tijdens bijeenkomsten van het project Sailing Letters werd regelmatig de vraag gesteld wanneer we “de rest” gingen digitaliseren. Hierop hebben Els en ik altijd realistisch geantwoord: het project ontsluit, digitaliseert en publiceert (door middel van vijf Journalen, uit te brengen in 2008-2012) slechts een gedeelte van de brieven. De rest van de brieven en al het andere materiaal valt hier buiten. In de delen 4 en 5 van het Sailing Letters Journaal zal enig ander bronnenmateriaal (o.a. de interrogations) aan bod komen, maar dit is slechts het topje van de ijsberg. Hulde aan de Fryske Akademy voor het initiatief, maar voor een doorwrochte planning van vervolgprojecten moet deze unieke Nederlandse (lees: Europees-Amerikaanse) bron eerst professioneel geinventariseerd worden. Hiertoe hoopte het project Sailing Letters de aanzet te geven.

    Perry Moree

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>